Lodewijk Ontrop werd geboren in Antwerpen als zoon van Mattheus Ontrop
en Hendrika van Amerom, een Nederlands echtpaar dat naar België uitgeweken
was.
Lodewijk was de middelste van drie kinderen, zijn oudere zus Mathilde “Thilla” was
harpiste. Aan het Antwerpse Conservatorium studeerde hij harmonie bij
Jan Blockx, contrapunt bij Jozef Tilborghs en compositie bij Peter Benoit.
Aanvankelijk speelde Ontrop als violist mee in het orkest van de Vlaamse
Opera onder leiding van Edward Keurvels, later werd hij er ook koorrepetitor.
Rond de eeuwwisseling debuteerde hij als dirigent en korte tijd daarna
stond hij mee aan de wieg van de Maatschappij der Concerten van Gewijde
Muziek. Deze vereniging beschikte over een 50-koppig koor en organiseerde
concerten met onder meer gregoriaanse muziek, religieuze werken van Palestrina,
Lassus en Schütz, maar ook Benoit, Ryelandt, Tinel en Ontrop zelf
stonden op het programma. In 1906 bracht Ontrop de eerste uitvoering
in België van Bachs Johannespassie en in 1907 dirigeerde
hij de première van Purgatorium, het eerste oratorium
van Ryelandt. In een brief van 6 december 1907 uitte de componist zijn
onverdeeld enthousiasme over die uitvoering: “Om nog van Purgatorium
te spreken, moet ik verklaren dat ik nog nooit zooveel genoegen bij het
aanhooren van mijne werken heb gevonden gelijk verleden zondag. De uitvoering
heeft mij oprecht voldoening gegeven (veel meer o.a. dan Cecilia op het
tooneel). De kooren waren uitmuntend voorbereid en de solist, Mevr. Kappel… was
puik!”
Ontrop bleef vast dirigent van de Gewijde Concerten tot aan de Eerste
Wereldoorlog. Vanaf 1915 dirigeerde hij gedurende een tweetal jaar vele
huisconcerten in de patriciërswoning van Jean Auguste Stellfeld,
maar het was pas in 1927 dat hij zijn activiteit als dirigent kon hernemen,
ditmaal bij de Vlaamse Concerten. Het was ook in het kader van deze concerten
dat in 1928 de eerste uitvoering in Antwerpen van Das Lied von der
Erde van Gustav Mahler ten gehore werd gebracht, met Jacques Urlus
en Maria von Basilides als solisten. Al na één seizoen
werd Ontrop bij de Vlaamse Concerten vervangen door de jonge beloftevolle
dirigent Hendrik Diels (1901-1974).
Daarnaast was Ontrop ook als muziekpedagoog bijzonder actief, al bleef
zijn actieradius beperkt tot Antwerpen. In 1904 werd hij benoemd tot
leraar notenleer aan het Conservatorium en vanaf 1914 tot 1940 was hij
er titularis van de harmonieklas. Hij had een eigen harmoniemethode ontwikkeld,
maar zijn overlijden verhinderde een uitgewerkte neerslag ervan. Ook
zijn echtgenote, de mezzosopraan Marie Breugelmans, en hun dochter Maria
De Groote-Ontrop waren respectievelijk als zangpedagoge en als lerares
piano aan deze instelling verbonden. Daarnaast was Ontrop muziekleraar
aan het Belpaire-instituut en de St.-Ludgardisschool, en organist aan
de St.-Augustinuskerk en de Protestantse Kerk in de Lange Winkelstraat.
Op uitzondering van enkele symfonische schetsen (Droomdicht, Feestgalm, Zomerspeling)
en een paar cantates (Lady Macbeth, Roosenbergcantate)
zijn alle composities van Ontrop kleinschalig en vocaal. Hij schreef
enkele religieuze koorwerken voor de Gewijde Concerten (Adoramus
te, Ecce Panis), maar het was vooral als liedcomponist dat hij furore
maakte. Hij componeerde een hele reeks liederen, zowel op eigen tekst
(Wijdingsliederen, ’t Is nacht), als op gedichten
van onder meer Karel van de Woestijne (Moe Lied), Petrus Augustus
de Génestet (Zachtheid), Hubert Melis (’t Jawoord),
Lambrecht Lambrechts (Het piknikje) en Guido Gezelle (‘k
En hoore u nog niet, Het meezennestje, Hoort).
Een aparte vermelding verdienen de talrijke volksliederen die Ontrop
van een stijlvolle pianobegeleiding voorzag. Vele van deze liederen voerde
hij uit tijdens concerten met het Vocaal Solisten-Kwartet dat hij in
1898 had opgericht en waarvan - naast zijn latere echtgenote Marie Breugelmans
- ook Jef Judels deel uitmaakte.
De verdienste van Ontrop voor het Antwerpse muziekleven manifesteert
zich op verschillende vlakken. Naast componist, dirigent, pedagoog en
volksliedvorser, verwierf Ontrop ook faam als musicograaf, essayist en
recensent. In dagbladen als De Morgenpost en De Standaard becommentarieerde
hij het concertleven te Antwerpen en vanaf de jaren 1930 verzorgde hij
voor de toenmalige openbare omroep een veertiendaagse kroniek van de
Antwerpse muziekscène. Over zijn werk als essayist, recensent
en musicograaf schreef Irène Bogaert dat het "een ongewoon
niveau” bereikte: “het muzikale feit werd er gewaardeerd,
in het licht van zijn algemeen culturele betekenis.” Maar
ook als dichter liet hij zich niet onbetuigd. Het leek er aanvankelijk
zelfs op dat Ontrop eerder een literaire richting zou inslaan. Fernand
Toussaint van Boelare omschreef zijn vriend ooit als volgt: “Ontrop’s
passie is geweest: de muziek; zijn behagen en zijn troost: de poëzie.”
© Studiecentrum voor Vlaamse Muziek vzw - Adeline Boeckaert