Lodewijk Mortelmans studeerde aan de Vlaamsche Muziekschool van Antwerpen
bij Joseph Tilborghs, Jan Blockx en Peter Benoit. Omdat hij een einddiploma
aan een Koninklijk Conservatorium wou behalen vroeg hij begin september
1887 zijn leraar Blockx te bemiddelen bij Arthur De Greef opdat hij in
Brussel zou kunnen verder studeren. Op 27 september 1887 liet Mortelmans
zich inschrijven aan het Conservatoire Royal de Bruxelles voor de pianoklas
van De Greef en voor de cursus contrapunt van Hubert Ferdinand Kufferath.
Dat Mortelmans zich bij Kufferath wou vervolmaken was duidelijk met het
oog op deelname aan de Prix de Rome. Kufferath had immers de reputatie
jonge componisten te kunnen klaarstomen voor deze prestigieuze staatsprijs
voor muziek. Maar Mortelmans had het lastig in Brussel - ook al omdat
het Antwerpse stadsbestuur hem een studiebeurs weigerde - en in september
1888 verliet hij het Brussels conservatorium. Voor de muziekschool van
Antwerpen was het belangrijk om zo vlug mogelijk een leerling te hebben
die de Romeprijs won om zo het niveau van het onderwijs te bewijzen.
Op Mortelmans rustte dus de druk om Benoits eerste leerling te worden
die de prijs zou behalen. Toch was het buiten medeweten van Benoit dat
hij in 1889 zijn kans waagde. Mortelmans getuigde later: Benoit raadde
mij af van te gaan, zeggende: "ge zult wel iets halen, maar ’t
ware beter te wachten om ineens den eersten prijs te behalen". Maar
ik antwoordde dat ik er niet aan dacht iets te halen, maar dat ik slechts
wou ondervinden hoe zulk een prijskamp verliep. Het is dan ook buiten
weten van Benoit dat ik mij aangaf. Benoit kreeg gelijk: Mortelmans moest
zich tevreden stellen met een met Paul Lebrun gedeelde tweede prijs.
Het was Paul Gilson die met zijn cantate Sinaï de eerste prijs behaalde.
In 1891 waagde hij een tweede kans, maar deze keer gaf hij op nog vóór
het einde van de voorbereidende proef. Hij was ziek en bovendien vreesde
hij machinaties van de jury. Uiteindelijk behaalde hij dan in 1893 de
zo begeerde prijs met de cantate Lady Macbeth. Voor Mortelmans was het
evident dat hij voor zijn cantate de Nederlandse tekst koos: Ik ben het
volledig met Benoit eens dat een kunstwerk altijd de persoonlijke gevoelens
en de hoogste impressies van de componist moet vertalen. Dit kan alleen
maar eerlijk gebeuren wanneer dat kunstwerk geïnspireerd wordt door
de taal zelf waarin de kunstenaar denkt. Ik heb dan ook geen ogenblik
geaarzeld om voor de Prijs van Rome de Vlaamse tekst van Lady Macbeth
te kiezen, al was het een slechte vertaling. Dit wil niet zeggen dat
ik nooit op een Franse tekst zou willen componeren. Ik zou me er alleen
maar aan wagen indien dit absoluut overeenstemt met mijn harmonische
principes.
Na het behalen van de Romeprijs werd Mortelmans als een ware volksheld
in Antwerpen ingehaald. Zijn overwinning had een meer dan symbolische
betekenis in Benoits strijd om zijn muziekschool te laten verheffen tot
koninklijk conservatorium. Het is dan ook geen verrassing dat Mortelmans
tijdens de festiviteiten voor het Koninklijk Vlaams Conservatorium van
Antwerpen in 1897 prominent aanwezig was. Tijdens het feestconcert op
12 september 1897 dirigeerde Mortelmans Benoits Feestzang en zijn eigen
gelegenheidswerk Hulde aan Peter Benoit.
Na Benoits dood in 1901 circuleerde Mortelmans’ naam als mogelijke
opvolger. Toen uiteindelijk Blockx werd benoemd kreeg Mortelmans de cursus
contrapunt en fuga aangeboden, na het directeurschap de functie met het
meeste aanzien. Na Blockx’ overlijden in 1912 stelde Mortelmans
expliciet zijn kandidatuur. Hij had ondertussen een grote reputatie opgebouwd
als dirigent van de Maatschappij der Nieuwe Concerten, een concertvereniging
die ook internationale dirigenten en solisten naar Antwerpen haalde.
Maar deze keer moest hij tot zijn grote ontgoocheling de duimen leggen
voor Emile Wambach. Mortelmans bleef professor contrapunt en fuga, alom
gerespecteerd voor zijn pedagogische kwaliteiten. Mortelmans-kenner Jan
Broeckx hierover: Als pedagoog heeft Mortelmans een groot aantal componisten
opgeleid en welk op zulke wijze dat ze geen duplicaten van hemzelf, maar
zelfstandige, uiteenlopende persoonlijkheden zijn geworden: van de romantische
en nationalistische Jef Van Hoof, tot de internationaal gerichte expressionist
Jef Van Durme.
In 1921 werd Mortelmans geëngageerd voor een tournee doorheen de
Verenigde Staten. Dit resulteerde in verschillende Amerikaanse uitgaven
van zijn werken.
Na het overlijden van Wambach op 6 mei 1924 werd Mortelmans op 6 september
van dat jaar de vierde directeur van het Antwerps conservatorium. Onder
Mortelmans’ bestuur liep het leerlingenaantal met de zowat de helft
terug: van 1.500 in 1924 tot 740 in 1931. Dit is te verklaren door een
samenloop van omstandigheden: de economische crisis, de hogere belastingen
op live muziek in café’s en dancings waardoor veel uitbaters
voor een mechanisch orgel of een platendraaier kozen, de doorbraak van
de geluidsfilm en ook Mortelmans’ streven naar kwaliteit. Het directeurschap
werd in die tijd vooral beschouwd als een beloning voor eminente componisten.
Toch moest Mortelmans veel tijd en energie in administratieve aangelegenheden
steken. In een brief van Pol De Mont op 16 juni 1926 klaagde hij over
de bureaucratie die elke creativiteit doodde: Het leven vraagt van mij,
eenzame, een groot offer. Komponeeren? ‘k Zit zoodanig beetgepakt
in het raderwerk van de administratieve machine, dat ik niet meer weet
ooit te hebben kunnen komponeeren of het ooit nog te kunnen. Mortelmans’ belangrijkste
verdienste als conservatoriumdirecteur was misschien wel dat hij veel
belang hechtte aan de symfonische conservatoriumconcerten. Zo organiseerde
hij in mei 1933 een opgemerkt driedaags Brahmsfestival. Het was een van
zijn laatste activiteiten als conservatoriumdirecteur want dat jaar bereikte
hij de leeftijdsgrens en werd hij opgevolgd door Flor Alpaerts.
Na zijn pensioen trok hij zich terug in Waasmunster waar hij verder ging
met componeren van pianomuziek, het orkestreren van vroegere liederen,
het arrangeren van volksliederen en het schrijven van een handboek voor
contrapunt.
Als componist liet Mortelmans zich al tijdens zijn studies opmerken toen
in 1887 zijn lied De bloemen en de sterren werd bekroond in een Vlaams-Nederlandse
compositiewedstrijd in Roeselare. In 1899 werd in Antwerpen een Mortelmans-festival
georganiseerd waarop symfonische werken als Lente-Idylle, Homerische
Symfonie en Mythe der Lente enthousiast werden onthaald. Toch zou hij
zich nadien vooral manifesteren als lied- en pianocomponist. In zijn
onovertroffen studie over Mortelmans onderscheidde Jan Broeckx in Mortelmans’ liedkunst
een zestal periodes: romantisch realisme (1887-1896), stemmingslyrisme
(1900-1902), een eerste eclectische periode (1903-1913), een periode
van introspectie (1913), een tweede eclectische periode (1925-1934) en
de periode van evenwicht tussen expressie en impressie. In zijn beste
liederen lukte Mortelmans er wonderwel in om, zoals Broeckx het verwoordde,
een volstrekte psychologische eenheid van tekst en muziek te realiseren.
Mortelmans componeerde vooral op gedichten van Guido Gezelle, maar greep
ook naar teksten van Goethe, Van Eeden en Baudelaire. Andere kwaliteiten
van zijn liedkunst zijn de evenwichtige opbouw, de elegante melodie en
de efficiënte en expressieve pianopartij. Zijn liederen behoren
tot het beste van wat er in die jaren geschreven werd. Mortelmans werd
dan ook zeer terecht de Prins van het Vlaamse lied genoemd.
Mortelmans’ pianostukken hebben meestal een liedachtig karakter.
Het zijn veeleer intimistische miniaturen dan virtuoze concertstukken.
Tot zijn bekendste pianowerken horen Vier lyrische stukken (1919), Het
wielewaalt en leeuwerkt (1921) en Saidja’s lied (1929).
Zijn orkestwerken evolueren van beïnvloeding door Brahms, Schumann
en Wagner tot een vroeg impressionisme. Zijn opera Kinderen der Zee (libretto
van Raf Verhulst) behoort qua thematiek tot het romantisch realisme terwijl
de partituur zelf nog onder invloed van Wagner staat.
Mortelmans heeft in Vlaanderen de brug geslagen tussen de romantiek en
het impressionisme. Omdat hij na de gemeenschapskunst van Benoit en het
burgerlijk realisme van Blockx het tijdperk van de individualistische
ontroering en het geësthetiseerde kunstwerk vergeleek Jan Broeck
zijn cultuurhistorische betekenis met die van de Van Nu en Straksers
in de literatuur.
(Jan Dewilde, Studiecentrum voor Vlaamse Muziek)