Guido Gezelle in de muziek.
|
1980 was niet alleen het jaar waarin anderhalve eeuw België werd gevierd. Het was ook het Gezellejaar. Op 1 mei 1830 immers werd onze grootste Vlaamse dichter in Brugge geboren. Dat feit gaf aanleiding tot tal van herdenkingen en publikaties; niet enkele op literair gebied. Ook op het muzikale terrein werd Guido Gezelle meer dan eens in de kijker geplaatst. Niet zo verwonderlijk, wanneer men weet dat het œvre van deze dichter voor vele componisten een bron van rijke inspiratie is geweest, die vandaag de dag nog steeds niet uitgedroogd is.Marinus de Jong, één van onze produktiefste componisten, liet zich herhaalde malen inspireren door het werk van Guido Gezelle. In 1945 componeerde hij het symfonisch gedicht Hiawatha, twee jaar later het oratorium Kerkhofblommen. Op de gedichtencyclus De XIV Stonden schreven Joseph Ryelandt, Jef van Durme en Renaat Veremans een oratorium. Nog geen twee jaar geleden componeerde Willem Kersters zijn Gezellesymfonie, waarin hij enkele van de mooiste avondpoëma’s van de dichter verwerkte. Echt indrukwekkend wordt de lijst, wanneer men een opsomming zou geven van de liederen en koorbladzijden die in de loop der jaren op teksten van G. Gezelle werden getoonzet. Naar aanleiding van het Gezellejaar heeft de Nederlandse bariton Pieter Vis gegrasduind in musea, archieven en privé-verzamelingen zowel in Vlaanderen als in Nederland. Hij is tot de verbluffende vaststelling gekomen dat op zijn minst een vijfhondertal componisten één of meer Gezelleliederen hebben geschreven. Een volledige inventaris zou dan om en nabij drieduizend liederen bevatten. Geen enkele andere dichter uit onze literatuur heeft zo bevruchtend ingewerkt o de muziekcreativiteit van onze componisten. Al even verrassend is het te kunnen constateren dat deze bij uitstek Vlaamse dichter niet alleen zijn eigen langenoten-componisten heeft geïnspireerd. Ook vele Nederlandse toondichters hebben zich aan het poëtisch erfgoed van G. Gezelle te goed gedaan. Volgens P. Vis zouden onze Noorderburen zelfs de helft van het repertoire voor hun rekening mogen nemen. Het zou onbegonnen werk zijn hier een volledige lijst samen te stellen van alle componisten die ooit en lied hebben geschreven op tekst van Gezelle.Enkel bekende namen kunnen volstaan. L. Mortelmans, M. De Jong, L. De Vocht, J. Van Hoof, Fl. Peeters, enz. In het zuiden; J. Röntgen, H. Andriessen, J.P.J. Wierts, A. De Klerk, H. Meima, C. Van Rennes e.a. in het noorden. De meeste van die namen komen ook voor op de langspeelplaat die P. Vis vol zong met een vijfentwintigtal Gezelleliederen uit heden en verleden (1). Of er enig verschil is tussen de Nederlandse en de Vlaamse componisten? Aanvankelijk wel. In Vlaanderen scheen men meer te voelen voor een eenvoudige of vrome interpretatie van de tekst. De Nederlandse musici daarentegen gaven aan hun werken veeleer een mystieke inhoud of cultureel karakter. Vanaf Mortelmans en Van Hoof verdween dat verschil. Uit een studie, die een tiental jaren geleden aan de Rijksuniversiteit te Gent werd gemaakt, bleek dat Guido Gezelle “de muzikaal meest bewerkte Vlaamse literator en één van de vaak uitverkoren dichters uit de ganse Europese muziekliteratuur” is. Die uitzonderlijke belanstelling voor Gezelles œvre is volgens prof. Dr. J.L. Broeckx toe te schrijven aan een drietal hoofdoorzaken. Vooreerst wijst hij erop dat Guido Gezelle de eerste Vlaamse dichter is met een uitgesproken Vlaamse stijl, gekoppeld aan universele poëtische kwaliteiten. “Zo beantwoordt zijn werk zowel aan het streven van onze componisten om te zingen in een taal met eigen klank, als aan hun bekommernis om deze taal tot drager van een algemeen menselijke inhoud te maken”. Een tweede oorzaak ligt in de even brede als diepzinnige inhoud. “Vandaar dat componisten met uiteenlopend karakter door zijn poëzie aangetrokken werden: natuurbewonderaars naast religieus georiënteerden, introverten zowel als naar buiten gerichte naturen, “atmosferische impressionisten evenzeer als romantische lyrici”. Tenslotte zijn er de formele hoedanigheden zoals natuurlijke zegging, het wisselend ritme en de evocerende sonoriteitsopbouw. “Zo is de eigen muzikaliteit van zijn verzen levendig genoeg om musici aan te spreken, maar niet zo overheersend dat muziek overbodig of overtollig wordt”. Onder de vele componisten die liederen schreven op gedichten van Guido Gezelle spant Lodewijk Mortelmans (1868-1952) vast en zeker de kroon. Met zijn meer dan dertig Gezelleliederen overtreft hij niet alleen kwantitatief, doch vooral kwalitatief de vele ander componisten. Als geen ander heeft L. Mortelmans Gezelle weten te doorgronden en de symbolische inhoud of de diepere gevoelswereld van zijn gedichten in een adequate muziekbeleving omgezet. (...) Hoe schoon de morgendauw is met zijn vloeiende cantabiliteiten licht omspelende klavierbegeleiding een mooi staaltje van Mortelmans’ stemmingslyrisme. Ook het jonge jaar behoort tot die soort, maar krijgt zowel door de tegenstelling tussen klavier en zangstem als door de onstuimigheid van de melodie een veel vitalistischer uitdrukking. In tegenstelling met het voorgaande lied klinkt Wierook verinnerlijkt en broos, uitgeschreven als een religieuze contemplatie. Kerkhofblomme met zijn prevelende eenvoud baadt in een zelfde sfeer van introspectie en subjectieve beleving. Ook Jef van Hoof (1886-1959) componeerde nogal wat liederen op teksten van Guido Gezelle. In elk geval meer dan dat ene overbekende strijdlied Groeninghe, waarmee de componist steeds opnieuw wordt geassocieerd en dat in feite slechts één aspect van zijn artistiek talent illustreert. Jef van Hoof is niet uitsluitend de heraut van de Vlaamse gedachte, zelfs niet op de eerste plaats de zanger van de Vlaamse strijd. Hij is ook de schepper van fijnzinnige kamermuziek, waaronder enkele onvergetelijke klavierliederen op gedichten van Guido Gezelle. Dat men in enkele van de geprogrammeerde liederen zoals ’t Ligt alles weerom witgesneeuwd nog duidelijk de invloed van L. Mortelmans herkent, doet geen afbreuk aan de intrinsieke waarde en schoonheid van die werken. Sfeer en muzikale inhoud zijn al even verscheiden als die van zijn lerar. 't Is stille krijgt een subtiel-verinnerlijkte gevoelsuitdrukking. In Aanroepinge drijft hij de vloeiende cantabiliteit op tot een vreugdevol en triomfantelijk slot. Verrassend zijn de verhalende stijlen en de volkse trant in Goedendag.(...) Hugo Heughebaert Guido Gezelle in de muziek”, Ons erfdeel, jg 24 (1981), nr 1, pp 124-126 (1) Guido Gezelle in het lied. Werken van Vlaamse en Nederlandse componisten, Pieter Vis, bariton, en Simon C. Jansen, orgel- en pianobegeleiding, Mirasound KS 7035 |